Oren uitspuiten

Oren uitspuiten

Alleen mijn eigen vinger en een wattenstokje hebben toegang tot mijn oor. Ik kan er niet tegen als er iets in mijn oor komt. Zelfs water is niet welkom, ik ga nooit onder water met mijn hoofd.

Ik vind het niet fijn als er iets met oren is. Laat staan dat er iets mee moet gebeuren. Uitspuiten bijvoorbeeld. Toch moet dat (na lang uitstelgedrag) maar eens gebeuren. Mijn oren blijven steeds vaker dicht zitten, dus het wordt wel eens tijd. Baal.

Als doktersassistente spuit ik zelf veel oren uit en eigenlijk heb ik nog nooit reacties gehad dat iemand het niet fijn vond. Eerder andersom, sommigen vinden het lekker voelen. Nou, ik niet, denk ik.

Het is zover: voor het eerst in mijn leven laat ik mijn oren uitspuiten. Gewoon op de praktijk waar ik werk, door mijn collega, tijdens de pauze. Ik zie er best wel tegenop. Mijn collega roept nog dat wij niet van ‘mieperds’ houden. Klopt, wij houden niet van mieperds. Help.

Mijn collega zet de oorspuit in mijn oor. Vreemd om patiënt te zijn. Nog vreemder is het geluid, hoe het aanvoelt, zodra zij het water met een enorme druk mijn oor inspuit.

Alsof er honderden mensen tegelijkertijd met hun nagels over een krijtbord krassen, maar dan anders. Alsof je in een tunnel rijdt met de auto. Nee, ook niet. Alsof de radiozender net niet de juiste frequentie vindt en dat keihard. Of dat er enorm veel katten samen heel hard blazen. En dat in je oor.

Oké, ik overdrijf graag. Lekker is anders, maar het viel reuze mee. Patiënten zeggen altijd tegen mij dat ze daarna weer zo goed kunnen horen en dan dacht ik altijd ‘het zal wel’, maar het is echt zo. Ik hoor (vooral mezelf) nu vreselijk goed. Het voelt echt een stuk beter.